Kasteel van Wouw DE WOUWSE RUINE Op 't einde van de zestiende eeuw Verhief zich nog te Wouw Een prachtig lucht en trotsch kasteel Een heerlijk lustgebouw 'T was opgericht naar Spaanschen trent Zooals 't den kenner bleek Terwijl zijn breeden buitenmuur Een gansche mijl bestreek Een gracht omsloot zijn grijzen voet Behoedde voor geweld Haar Waal'ren hielden als een boei Den schonen burcht omkneld Des daags verbond een ophaalburg Den wal met den overkant Hoog boven op de hechte poort Stond vast een vaan gepland Haar plooien werden door de vriend Gerekt in langen baan Dan zag het oog op 't blanke veld 'T Markgraaflijk wapen staan Fier zag ik neer op 't grijs kasteel Waar 't in zijn domm'ling had Of langzaam in zijn pracht verscheen Bij 't scheem'ren van den dag In 't purperglanzend morgenuur Wanneer de zon verrijst Hield zij als met een gouden band Kasteel en wal omlijst Hoog stak de schoone slotkapel Haar steilen gevel op Zij scheen te dobb'ren op den dauw Als 't schip op het ruime sop De torens hiervan slank en fier Hun ranke spits omhoog Waar om in zoelen zomernacht De steenuil krassend vloog Van hier bespiedde 's wachters oog Den omtrek ver in 't rond Of soms zijn blik in heg of struik Verdachte lieden vond Nauw zag hij in de verste vert Het moegedraafde ros Dat op zijnn rug de ruiter droeg Met hooggekleurde blos Of aanstonds klonk het hoornsignaal Den matten vreemd'ling toe Zeg mij, Uw naam, vanwaar gij komt Voor dat ik opendoe Een grimmig zag hem door 't kasteel De zware vuurmond aan Die dood slechts en verdeling braakt Voor die hem trotsch weerstaan Men telde vijftien, acht en drie 't Was in den Spaanschen krijg Den tienden van de bloeimaand reeds Als groene blad en twijg De wachter van de toren zag Een streke krijgers'bend Soldaten in het blak geweer Ontrolden de oorlogsteul Dra komt een bode voor de ophaalbrug Uit naam der staaten schaar Hij is gewapend met een lans Gedekt door beukelaar Gebiedend spreekt zijn schorre stem Wij eischen het gebouw Geeft toe of dra speelt het kanon En brengt U dood en rouw De slotvoogd roept zijn mannen saam En treedt in lang beraad Hij spreekt van het dreigend doodsgevaar Dat hun te wachten staat Doch moedig klinkt als uit een mond Wij bieden tegenweer Wij strijden voor den goeden zaak Van Spanje's vorst en heer Een Spanjaard verscheen uit den poort En gaf de bode bescheid Die toornig en met ongeduld Het weerwoord verbreidt Wij wijken niet, vertrek heraut Geen vrede met 't gespuis Dat slechts kent ontrouw aan zijn vorst De beelden werpt tot gruis Dit was de taal, die hem gewerd In 't krachtig manlijk woord Zooals 't eens van den Griekschenheld Door xerxes werd gehoord De bode gaat en keert weerom Naar 't Staatsche legerkamp Hier dreunt de grond van 't grof geschut Der paarden hoef gestampt Vlug is een loopgraaf aangelegd Gesteld de batterij Kanonnen dreigen 't eeuwsch kasteel In dubbel breede rij Nauw honderdvijftig in getal Hoe houdt de Spanjaard stand Wat biedt hem uitkomst in de strijd Als schot na schot ontbrand Doch ziet! De dorpers komen op Bij 't hooren van de maar Den vlegel in hun ijzeren vuist Met steen en slingeraar Het wreedste wapen in hun hand Hun vrees'lijk moordgeweer Want dien het treft of dien het raakt Hem velt het stervend neer Inmiddels klinkt reeds menig schot Een vangt het strijden aan Wie draagt de glorie van de dag Wie zal hier ondergaan Wel ligt de Spanjaard en huilt in rust Bij 't nijpen van het gevaar Wel spreekt vanaf den hoogen wal Met kracht zijn Donderaar Doch voort trekt steeds de Staatsche schaar Schoon met gedunde rij En valt er een, een ander treedr Aan dezes makkers zij Reeds honderd schoten zijn gelost Nog houdt de Spanjaard stand Nog waait zijn standaard breed en fier Bij 't grof geschut geplant Maar ach, wat baat hem al zijn moed Wat baat hem het kanon Zag men het ooit, dat de overmacht Den zwakk'ren niet overwon Den Staatschen schieten bres op bres Daar valt de poort in puin Doch, hoort, vanaf de toren steekt De wachter zijn bazuin De vredevaan wordt nu ontrold Een treedt de vesting uit Begeeft zich naar de Staatsche schaar Belust op roof en moord De termen worden vastgesteld Voor de overgaaf der vest Want nutt'loos is de tegenstand Zoolang noch de adem rest Dus luidde 's vijands kort beding Aan ons behoort het slot Haar krijgskas en het oorlogstuig Hoort nu u aller lot Wij schenken allen lijfsbehoud Vrij trekk' de Spanjaard af Doch voor den boer die ons weerstond Wacht nog een kleine straf Men werpe hem in 't kerkerhol Waar bange vrees hem plaagt Hij krijgt gewis zijn vrijheid weer Zoodra het ons behaagt Een twintig dagen zuchtten zij Getergd door hoongelach Terwijl hun oog geen enklen straal van 't schitt'rend zonlicht zag De Spanjaard vluchtte van den burcht Waar hij zoo dapper streed En meer dan een uit zware wond Zoo felle pijnen leed En Hollandsch vlag werd toen geplant Op 't prachtig kasteel Doch weinig is 't wat het heden rest Van 't vroeger pronkjuweel Ten deel verwoest en niet herbouwd Verviel het meer en meer En weinig spreekt op dezen dag Van 't tijdperk van weleer De wal verdween, geen torenspits Steekt steigerend in de lucht Belemmert in die hooge sfeer Der wolk wilde vlucht Slechts ziet gij nog op d'eigen dag Verbrokkeld door den tijd Een gansch vermom'lmd bouwval staan Dien 't weder openrijt Waar vroeger rees de slotkapel In echt gothieken stijl met spitsgewelf en gordelboog Gestut door zwaren pijl Bevindt zich thans de omheinde ruimt Met elz en doornenstruik De grond waar eens de tempel stond Dient thans tot vruchtgebruik Wel rijst in 't midden van het plein Een schoonen boerenhoev' Doch bij het zien van de oude gracht Is 't hart van weemoed droef Geen diep kanaal, geen breede vaart Geen zwalpend golvenheir Het oog ziet op een vuile sloot Op drabbig water neer De wand'laar loost een diepe zucht Waneer hij dit aanschouwt Terwijl hij om vervlogen tijd Vervallen stinzen rouwt En voort schrijdt hij met loomen tred Tot aan de ijz'ren poort Waar van de weg met brokk'lend puin Nog de oude grootheid glooit Van hier werpt hij een laatste blik Op 't schouwspel om hem heen Hier toeft hij voor korte wijl Weerhoudt hij zijne schreen Van hier roept hij het afscheid toe Een laatsten vriendengroet Dan vleidt hij heen met bloedend hart Van 't oude Riddergoed JC. v B. de avondster 13 augustus 1899 HKK de vierschaer nr 04 - 2000